|
|
De
geschiedenis van de Carnica stam Peschetz De
grondlegger voor deze stam was Hans Peschetz (1901-1968), een Oostenrijkse
spoorwegbeambte. Hij hield vanaf 1924 eerst ongeveer 24 bijenvolken. Toenmalig
was de samenstelling van de bijen in Kärnten en de Steiermark, uit een
mengeling van Carnica’s en Italiaanse bijen .
In mei 1926 bemachtigde hij in een afgelegen dorp in “Oberkärnten”,van
een kleine bijenstand, een 3,5 kilogram zware zwerm van een zuiver Carnica volk.
Uit dit volk komt zijn teelt voort.De voor Carnica typische eigenschappen en
kenmerken beschreef Peschetz als volgt: De
zwerm bouwde in zeer korte tijd alle hem tot beschikking gegeven kunstraten uit
en etaleerde zich als een sterk volk, dat buitengewoon verzamel driftig was. Het
bracht reeds in mei, juni zeer goede opbrengsten en in juni kon er drie keer van
geslingerd worden te weten 15,5 + 18 + 12 kilogram. Daarbij
kwam in juli nog een opbrengst van 11 kilogram, wat een totaal opleverde van
56.5 kilogram. En dat alles zonder te reizen en het volk had daarnaast nog
zoveel voorraad dat het maar twee liter suikerwater nodig had. 1927 gaf bijna
dezelfde opbrengst. Ook was het volk buitengewoon zachtaardig, raamvast en
vertoonde geen enkele zwermstemming. Het
volk zette ook in 1927 een zwermcellen aan. Daarom moest Peschetz overgaan tot
kunstmatige teelt van koninginnen. Hij werkte zich zeer snel in in de
teelttechniek, de bedoelingen, de uitstekende eigenschappen van zijn bijenvolk,
door gecontroleerde paring te behouden. Daarom
richtte hij in 1928 een eigen bevruchtingsstation op in een naastgelegen
hooggebergte op 1200 meter. Het was zo afgelegen, dat hij zijn
bevruchtingskastjes op de rug bergopwaarts moest dragen. Hij noemde zijn
bevruchtingsstation “Höritzen” en zijn bijenstam “Grossglockner”, naar
de hoogste berg in Kärnten. De keuring, erkenning en benoeming van de stam als K ‑ Peschetz 332, vond
plaats in juni 1941 op de stand van Hans Peschetz in Stankt Veit aan de Glan
door de toenmalige “Rijkskeurmeester”Goetze, hierbij werd ook de
standaardbeschrijving vastgelegd. Tot aan dat tijdstip had Hans Peschetz vanaf
1927 reeds vele koninginnen geteeld en ook naar Duitsland verstuurd. Dus daar
was zijn bij reeds voor de
“Anschluss"
van Oostenrijk, bekend. Nu officieel als
teeltstam erkent, werden Peschetz koninginnen nog tijdens de oorlog voor testen
naar Noord Duitsland aan erkende telers verdeeld. (Julius Paschke, Lubmin/Mecklenburg
en P.A. Bertram, Reinfeld/Holstein). De opbrengsten, vooral de voorjaarsdracht
van fruit en koolzaad, lagen zo ver boven die van het donkere landras, dat ze
niet geloofwaardig leken. Omdat bovendien de volken uitermate vredelievend
bleken, werd bij vele imkers, die er van hoorden, de wens gewekt , koninginnen
van deze stam te hebben. Zo heeft de Peschetz bij, juist in Noord Duitsland,
reeds ver voor de Tweede Wereldoorlog zijn wijde verspreiding gekend. Tijdens het einde van de oorlog gingen, jammer
genoeg, veel raszuivere koninginnen, door zwermen, verloren. Men wist niet om te
gaan met de ongewonde broedaanzet van de Peschetz bij en men had de waarschuwing
van Peschetz vergeten, dat zijn bijen zwermneigingen hadden als men haar niet
tijdig voldoende ruimte gaf om te broeden. De
meest gebruikelijke kasten waren toen destijds eenvoudig te klein. Enkel en
alleen P.A. Bertram, wist zijn drie volken op een landbevruchtingsstation, die
hij "Fohlenkoppel" noemde, te behouden.
Het
lukt hem na-teelten te bevruchten, waarbij
gelukkiger wijze een aantal als raszuiver uit de bus bleken te komen.
Bertram was het snel duidelijk dat je een zeker bevruchtingsstation nodig had.
Hij koos voor “Hallig Hooge” voor de Noordfriesischen Westkust. Omdat hij
alle werkzaamheden niet alleen aankon, riep hij de Peschetz telers in
Schleswig-Holstein en Hamburg bijeen, om te komen tot een telers-gemeenschap,
die hij “Landeszucht Peschetz” noemde. Met 300 telers in 30 teeltgroepen
vond in 1946 de oprichting plaats. Het bevruchtingsstation op Hallig bewees zich
als te plaatselijk en te klein. Daarbij kwam nog dat de opstelling van maar één
darrenvolk, zoals dat toen destijds voorschrift was, voor onbevredigde
bevruchtingsresultaten en kwalitatief slechte koninginnen opleverde. Daarom
richte Kessler (Hamburg), in het jaar 1950, het bevruchtingsstation “Puan
Klent” op Sylt, op. Ze
werken sinds dien onafgebroken en zeer succesvol, mede door de meervoudige
paring met meerdere darrenvolken die het bevruchtingsstation bezetten. Op dit
bevruchtingsstaion word de Peschetz bij tot aan de dag van vandaag raszuiver
gehouden. Om inteelt te voorkomen wordt om de drie tot vijf jaar, twee tot drie
koninginnen voor bloedverversing van de oerteler naar Noord Duitsland gehaald en
toegevoegd aan de kolonie. Hiermee worden nieuwe zuster groepen
samengesteld die afwisselend als darrenvolken op het bevruchtingsstation worden
opgesteld. Van dit raszuiver teelt materiaal profiteren ook andere gebruikers
van het bevruchtingsstation. Na de
dood van Hans Peschetz ging zijn teelt stam in Oostenrijk verloren. Een poging,
om met hulp van zijn zoon Wolfram en met Noord Duits materiaal, deze opnieuw op
te zetten, mislukte. Wolfram Peschetz stopte met de teelt van de Peschetz bij en
is deze Carnica stam is nu voornamelijk nog in Noord Duitsland te vinden. Bron: www.bienezucht.de |
|
|